Blog

Myanmar: Na de dictatuur: de etnische zuivering

 

Na de dictatuur: de etnische zuivering

Onder applaus van het Westen heeft Myanmar de militaire dictatuur achter zich gelaten, maar voor de 800.000 Rohingya-moslims is in de nieuwe democratie geen plaats. 125.000 Rohingya werden uit hun woonst verdreven en in kampen opgesloten, honderden moslims door boeddhisten afgeslacht. Aangewakkerd door extremistische monniken verspreidt het etnisch geweld zich naar andere streken. (Verschenen in Knack, 11/9/2013)

Tekst en foto’s: Jan De Deken

“Een moslim mag vier vrouwen hebben. Ze maken te veel kinderen. Zo bedreigen ze de boeddhistische inborst van ons land.” Ik denk aan de woorden van U Shwe Mg wanneer tientallen kinderen me blootsvoets volgen tussen de bamboehutten van een IDP-kamp net buiten Sittwe. IDP staat voor Internally Displaced Persons, een mooi woord voor vluchtelingen in eigen land. In de geïmproviseerde rieten kraamkliniek worden elke week een paar nieuwe staatlozen geboren. Sommigen zijn zwaar ondervoed. “Ze maken zoveel kinderen dat ze er niet voor kunnen zorgen”, had U Shwe Mg, lid van het centraal comité van de Rakhine Nationalities Development Party (RNDP), nog gezegd.

Neem nu de 35-jarige Abu Lar Ci. Begin vorige zomer had hij vier kinderen te voeden. Nu al acht.

Het is een jaar geleden, maar ’s nachts ziet hij zijn huis nog branden. Lar Ci woonde in Nazi Konetan, een moslimwijk in Sittwe, de hoofdstad van de westelijke deelstaat Rakhine (ook Arakan genoemd). Het was 11 juli 2012. “Een razende menigte stak de hele wijk in brand. Ze waren gewapend met machetes en ijzeren staven”, zegt Lar Ci. “Haast op hetzelfde moment opende de politie het vuur. Ze dwongen ons mee te gaan. We mochten niets meenemen. ” Hij wijst naar zijn driekwartbroek en geelgroene teenslippers. “In deze kleren ben ik gevlucht. Het is het enige wat ik heb.” Lar Ci is een van de weinige Rohingya die identiteitsdocumenten had. “Maar nu niet meer. Ze zijn samen met mijn huis verbrand en ik krijg er geen nieuwe.” 

Lar Ci vertelt huilend hoe zijn broer en schoonzus die dag met messteken werden vermoord. Omdat ze Rohingya waren. “Sindsdien zorgen we ook voor de vier kinderen van mijn broer. De jongste van de acht is zes jaar oud, de oudste twaalf. Ze hebben honger, want we hebben te weinig voedsel om ze behoorlijk te voeden.” Het Wereldvoedselprogramma van de VN zorgt voor rantsoenen basisvoedsel, zoals rijst en kikkererwten. “Maar een deel daarvan moeten we verkopen om andere noodzakelijke producten aan te schaffen, zoals brandhout en vuur”, zegt Lar Ci. Zoals de andere tienduizenden Rohingya in het kamp kan hij niet werken, want de veiligheidstroepen aan de ingang van het kamp beletten hem de stad in te gaan. 

Twee van de kinderen zijn ziek. Hij durft niet meer naar de kampdokter uit vrees dat ze naar het ziekenhuis worden doorverwezen. “Rohingya die naar het ziekenhuis gaan, keren niet meer terug. Mijn nonkel is na het geweld weggevoerd met een kogel in zijn been. Enkele dagen later is hij overleden. Dokters weigeren moslims te behandelen.”

Rakhine brandde in juli 2012 vijf dagen lang. Boeddhisten en moslims staken elkaars wijken en dorpen in de fik. Honderden mensen, haast allemaal Rohingya, werden afgeslacht. De vlam sloeg in de pan wanneer drie moslims ervan beticht werden een boeddhistische vrouw te hebben verkracht en vermoord. 

Van 21 tot 24 oktober volgt een tweede golf van geweld, deze keer goed georganiseerd. Boeddhistische bendes steken negen Rohingya-dorpen in brand. In een wijk in het stadje Mrauk U worden 28 kinderen met kapmessen afgeslacht. Vooraleer de woedende massa met toortsen en machetes arriveerde, had de politie alle Rohingya ontwapend en weerloos achtergelaten. De ngo Human Rights Watch spreekt na eigen onderzoek van een etnische zuivering.

Moslims zijn zowel in Sittwe als in Mrauk U uit het straatbeeld verdwenen. 125.000 Rohingya leven gedwongen in de IDP-kampen. Moslimwijken die niet zijn platgebrand, worden door leger en politie hermetisch afgesloten. Wanneer ik naar de gebarricadeerde ingang van Aung Mingalar wandel, de laatste moslimwijk in het centrum van Sittwe, worden Kalasjnikovs zenuwachtig in positie gebracht. “Aung Mingalar is dé schandvlek van dit conflict”, zegt een ngo-stafmedewerker op voorwaarde van anonimiteit. “Geen enkele hulporganisatie krijgt toegang tot de wijk. We horen berichten over hongersnood en epidemies, maar de overheid laat ons niet toe er hulp te bieden.”

60.000 onbestaande kinderen

Vijf procent van de 60 miljoen inwoners van Myanmar zijn moslim. De Rohingya zijn een van minstens 155 etnische groepen in het land. De Verenigde Naties noemen de staatloze Rohingya een van de meest vervolgde minderheden ter wereld.  

Officieel vielen in Rakhine sinds juni 2012 zo’n 200 doden. De lijst die Rohingya-activist Abu Tahay me overhandigt, telt echter 785 namen. Naast elke naam staan leeftijd, woonplaats en doodsoorzaak vermeld. Tahay is voorzitter van de Union National Development Party, die opkomt voor de rechten van Rohingya. In 2010 werd Tahay verkozen als parlementslid, maar net zoals de andere verkozenen van zijn partij mocht hij zijn mandaat niet opnemen. Bij gebrek aan parlementair pluche verdedigt hij de Rohingya-belangen vanuit een bescheiden appartement in een lawaaierige straat in de economische hoofdstad Yangon.

De Myanmarese overheid ziet de Bengalezen, zoals Birmezen de Rohingya noemen, als illegale immigranten die onder Britse koloniale overheersing (1824-1948) zijn overgewaaid vanuit Bangladesh en weigert hen als burgers te erkennen. Tahay toont een lange reeks documenten die de Rohingya-aanwezigheid in Rakhine bewijzen, teruggaand tot de achtste eeuw. “Vechten tegen de ontkenning van onze historische aanwezigheid is één van onze grootste uitdagingen”, zegt Tahay. “Volgens de wet op burgerschap uit 1982 is elke persoon of groep die zich voor 1823 binnen de grenzen van het huidige Myanmar bevond, rechtmatig burger van dit land.”

 “Maar zelfs op mensenrechten hoeven we niet te rekenen. Rohingya worden in Rakhine sinds decennia als slaven behandeld. Lokale autoriteiten en veiligheidsdiensten vorderen hen op om gratis arbeid te verrichten. Elke dag worden er Rohingya-meisjes verkracht. Kinderen krijgen nauwelijks onderwijs, want de overheid stuurt geen leraars en weigert Rohingya als leraar te benoemen.”

In het noordwesten van de staat Rakhine mogen Rohingya slechts twee kinderen krijgen. Uit angst voor vervolging brengen vrouwen hun leven in gevaar met primitief uitgevoerde abortussen. Illegaal geboren kinderen worden niet geregistreerd of worden door sommige lokale autoriteiten op een zwarte lijst gezet. Volgens Tahay zijn er ondertussen meer dan 60.000 ‘blacklisted children’. “Officieel bestaan ze niet. Ze hebben geen recht op documenten, onderwijs of verzorging. Ze hebben geen recht om als mens behandeld te worden.” In juni sprak de Myanmarese minister van Immigratie en Bevolking Khin Yi zijn steun uit voor de lokale maatregel.

Tahay begrijpt de bezorgdheid van kampbewoner Lar Ci over de medische diensten. “Ziekenhuizen weigeren moslims te behandelen. Wie een medische behandeling nodig heeft, moet de grenspolitie omkopen om naar een ziekenhuis in Bangladesh te kunnen gaan.” In zijn statistieken toont Tahay een lijst met 235 namen van mensen die sinds de escalatie van het geweld overleden door een gebrek aan medische verzorging.

Ik krijg vier bundels documenten en bewijslast mee. Dezelfde documenten die hij Amerikaans president Barack Obama, Brits premier David Cameron, de Britse minister van Buitenlandse Zaken William Hague en tientallen andere buitenlandse politici en diplomaten overhandigde. Allen brachten ze de activist een bezoekje bij hun doortocht in groeiland Myanmar.

‘From zero to hero’, zou Myanmar als nationale leuze op het wapenschild kunnen zetten. Decennialang gold de militaire dictatuur als een paria in de internationale politiek, verguisd door het Westen en met China als laatste reddingsboei. Sinds het land langzaam maar zeker het pad naar meer vrijheid en democratie bewandelt en sinds 2011 weer een burgerpresident heeft, dwepen Europa en de VS met het land als de nieuwe kip met de gouden eieren.

Heel wat hervormingen verdienen lof. Duizenden politieke gevangenen werden vrijgelaten en onafhankelijke kranten mochten weer verschijnen. De economie groeit en handelsrestricties worden versoepeld om buitenlandse bedrijven en investeerders aan te trekken.

Vooral de EU was er snel bij om economische sancties op te heffen. Myanmar is een van de armste landen van Azië, maar rijk aan aardgas en edelstenen. In het land dat met een decennium vertraging op de trein naar de eenentwintigste eeuw springt, moet de meeste infrastructuur van nul worden opgebouwd. “Je moet er snel bij zijn, want eenmaal alles is opgelost, zijn heel wat opportuniteiten verdwenen”, zei Vlaams minister-president Kris Peeters tegen reporters wanneer hij in maart voor het tweede jaar op rij een economische missie in Myanmar leidde.

Maar gulzig naar eieren lijkt Europa woord en daad soms te verwarren. “Ik verzeker jullie dat er tegen eind dit jaar geen gewetensgevangenen meer zijn in Myanmar”, belooft president Thein Sein op 15 juli tijdens een bezoek aan David Cameron. Diezelfde dag wordt in Sittwe de mensenrechtenactivist Kyaw Hla Aung opgepakt. De 74-jarige man zit nog steeds in de cel en verkeert in slechte gezondheid. Op 13 augustus wordt de 29-jarige Than Shwe gearresteerd nadat hij foto’s op Facebook zet van een dodelijke confrontatie tussen Rohingya en de politie. “Ondanks de recente beloftes van Thein Sein zien we steeds meer arrestaties van mensenrechtenactivisten”, zegt woordvoerster Amy Smith van Amnesty International.  

Abu Tahay kan maar hopen dat zijn hoge gasten hem niet als schaamlapje gebruiken om de westerse economische interesse in de nieuwe Aziatische groeipool te legitimeren. “Ik zeg tegen alle internationale actoren: Jullie kunnen hier zaken doen en constructieve engagementen aangaan, maar niet ten koste van de mensenrechten. Obama, Cameron, Hague en vele anderen hebben me beloofd dat ze de Rohingya niet zullen slachtofferen.”

 De Birmese Bin Laden

Tahay rekent op de internationale gemeenschap, want “zonder buitenlandse druk zijn de Rohingya verloren. De orkestleiders van het geweld zitten in de hoogste machtsechelons.” Volgens de activist poken sommige hardliners in de centrale regering, de lokale overheid in Rakhine en het lokale veiligheidsapparaat het geweld aan om hun eigen machtsposities te versterken. Lokaal wordt de nationalistische Rakhine Nationalities Development Party (RNDP) verweten racistische sentimenten aan te wakkeren. De partij haalde enkele maanden na haar oprichting in 2010 meteen 35 van de 44 beschikbare zetels binnen, dankzij een anti-Rohingya-discours en een roep tot meer regionale onafhankelijkheid. U Shwe Mg, centraal comitélid van de partij, ontkent dat de RNDP oproept tot geweld. Wel vindt hij dat de Rohingya geen plaats hebben in Rakhine. “Het zijn illegale immigranten die een valse naam hebben uitgevonden: Rohingya. Er bestaan geen Rohingya in de wereld! Het zijn Bengalese moslims en ze proberen ons land op te kopen”, windt hij zich op.  

U Shwe Mg verdedigt het beleid om de Rohingya op te sluiten in bewaakte IDP-kampen. “In elk land ter wereld geldt: nationale burgers eerst. Humanitaire argumenten komen op de tweede plaats. Wat deed de VS toen ze aangevallen werd door moslimterroristen? Zelf aanvallen.”

Wel ziet de politicus nog een betere oplossing: “Aangezien er blijkbaar zo veel sympathie is voor Rohingya in de wereld, mag elk land zich vrij voelen om hen over te nemen. Pakistan, Bangladesh of België bijvoorbeeld.”

“Waarom zou België dat doen?” vraag ik.

“Om humanitaire redenen”, glimlacht hij breed.

Gevraagd naar de situatie van voor het geweld, zegt de politicus dat boeddhisten en moslims in Sittwe vredig samenleefden. “Maar nu kan dat niet meer. De mensen zijn kwaad. Als het leger vertrekt, zie ik het heel slecht aflopen. Onze partij promoot vrede, maar hoe moeten wij de mensen die geweld gebruiken overtuigen om dat niet te doen?”

Zichtbaarder dan politici en ordetroepen zijn extremistische boeddhistische monniken en burgers die zich voordien als monniken nauw betrokken aan de brandstichtingen en slachtpartijen. De haatboodschappen die ze aanvankelijk enkel tegen de Rohingya-minderheid verspreidden, richten zich ondertussen ook tegen andere moslims. In maart vielen 42 doden, twee boeddhisten en veertig moslims, na dagenlange rellen en brandstichtingen in Meiktila in Centraal-Myanmar. Wereldberoemd werd de monnik Wirathu, toen hij vorige maand de cover van Time Asia sierde onder de titel ‘het gezicht van boeddhistische terreur’. Wirathu, die zichzelf in het artikel “de Birmese Bin Laden” noemde, predikt met zijn snel aan populariteit winnende beweging ‘969’ haatboodschappen die uit een show op Radio Mille Collines lijken geplukt aan de vooravond van de Rwandese genocide, met ‘moslim’ en ‘Tutsi’ als inwisselbare termen.

President Thein Sein beloofde Cameron in juli een zerotolerantie voor wie aanstuurt op etnisch geweld. In eigen land verbood diezelfde Thein Sein de Time-publicatie en sprak zijn steun uit voor Wirathu. De president lijkt lijdzaam toe te zien hoe extremistische groepen lokaal het democratiseringsproces wegkapen.

“Niemand steunt onze strijd”

In de straten van Sittwe heeft de buitengewone Myanmarese gastvrijheid plaats gemaakt voor frustratie en achterdocht tegenover blanken, die volgens hen steevast de kant van de moslims lijken te kiezen. Ik word erop gewezen dat een Amerikaanse journalist vorige week haast gelyncht werd omdat hij foto’s nam van een uitgebrande moskee. “De moslims controleren de internationale pers”, gelooft U Shwe Mg. “De hele moslimwereld steunt de Bengalezen. Maar waar zitten onze boeddhistische broeders in China, Thailand, Vietnam of Cambodja? Niemand steunt onze strijd.” Ook in de hulporganisaties is hij teleurgesteld: “Alle hulp gaat naar Bengalezen, terwijl er ook onder de Arakanezen ontzettend veel armoede is.” 

“Ngo’s en donoren hebben lang die fout gemaakt”, geeft een ngo-stafmedewerker toe. “Om onze neutraliteit te benadrukken en onder overheidsdruk gaat de helft van alle hulp nu naar de getroffen Arakanezen, terwijl zij maar een fractie van het totale aantal slachtoffers uitmaken. Voor elke hulppost in een moslimkamp moeten we er ook een voor de boeddhisten bouwen.” U Shwe Mg eist bovendien dat de hulpverleners geen moslims zijn.

De haat lijkt niet proportioneel wederkerig. De Rohingya in het IDP-kamp willen vooral terug naar huis. Haast allemaal denken ze opnieuw met de boeddhisten samen te kunnen leven. “Het is de enige oplossing die we hebben”, zegt Daw Chan Aye Sein, die haar job als kleermaakster niet meer kan uitoefenen en nu 37 euro per maand krijgt van de ngo Save the Children om op kinderen te passen in een dagverblijf. “Als ik naar een ander moslimland kan, zou ik vertrekken. Tijdelijk toch”, zegt ze. (zie kaderstuk) “Maar dan nog wil ik terugkeren. Dit is mijn geboorteland.”

Ze zouden cultureel zo anders zijn, de Rohingya. Toch gebruiken moslimvrouwen dezelfde thanaka-make-up en dragen ook moslimmannen de typische longyi-rok. En ook een Rohingyagebit lijkt op een kapotgeschoten burcht, gehavend en bloedrood door de betelnoten die moslims even onvermoeibaar kauwen als de etnische Birmezen. Beiden hebben honger te stillen.

Voor het IDP-kamp ligt de wijk Bu May die voornamelijk door Rohingya wordt bevolkt. Zij mogen de wijk niet uit, de Arakanezen die er wonen wel. Een boeddhistische pagode staat onaangeroerd achter enkele Rohingya-krotten. Niemand die het in zijn hoofd haalt ze in brand te steken, of zelfs maar het bladgoud eraf te pulken.

Heel wat boeddhisten weigeren voedsel te verkopen aan Rohingya. Ma Khin Mar Tun (25) niet. Ze is Arakanese en is geboren in de wijk. Haar winkelvoorraad koopt ze in het stadscentrum. “Ze hebben al vier keer mijn kar en koopwaren kort en klein geslagen aan de ingang van het kamp. Eén keer hebben ze mijn broertje zijn ribben gebroken.”

“”Ik lag een maand in het ziekenhuis”, bevestigt die. “Ze schreeuwden: Waarom verkopen jullie aan Bengalezen?”

Toch wil Mar Tun van geen wijken weten. “Ik heb nooit problemen gehad met de moslims. Ik zie niet in waarom ik nu zou vertrekken.”

 

Rohingya-probleem beïnvloedt de hele regio

Het religieus conflict is al lang geen probleem van Myanmar alleen meer. Net over de grens met Bangladesh herbergt VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR 30.000 Rohingya in twee kampen. Daarrond zwermen nog zo’n 200.000 niet-geregistreerde vluchtelingen op de loop voor het geweld. Volgens mensenrechtenorganisatie The Arakan Project probeerden tussen juni 2012 en mei 2013 al 34.626 mensen per boot Myanmar en Bangladesh te ontvluchten, vier keer meer dan een jaar voordien. De grote meerderheid zijn Rohingya uit Rakhine. Waar vroeger voornamelijk mannen de oversteek waagden, proberen nu ook vrouwen en kinderen massaal aan het geweld te ontsnappen en Indonesië, Maleisië, Thailand of Australië te bereiken. 

VN-Vluchtelingenorganisatie UNHCR zag de Indische Oceaan sinds het geweld in Rakhine “een van de dodelijkste waterstroken ter wereld” worden. 500 tot 800 Rohingya zijn het afgelopen jaar op zee omgekomen. Overvolle vissersboten zinken of kapseizen. Passagiers sterven van honger door onvoldoende rantsoen. Anderen vallen in handen van mensenhandelaars en worden verkocht als bruid of komen als slaaf op Thaise vissersboten terecht.  

In een detentiekamp in Indonesië vermoordden Rohingya-vluchtelingen acht boeddhistische Birmezen uit wraak voor het geweld in Myanmar. In Australië leidt de liberale oppositieleider Tony Abbott de peilingen voor het premierschap dankzij zijn belofte om bootvluchtelingen voortaan zonder pardon terug te sturen.

 

En wat zegt Aung San Suu Kyi?

Weinig tot niets. De Nobelprijswinnares voor de Vrede die onder de militaire junta vijftien jaar onder huisarrest doorbracht, staat in een erg ongemakkelijke spreidstand. “Als Nobelprijswinnares is het haar plicht om iets te doen. Ze staat symbool voor democratie en mensenrechten”, vindt Abu Tahay. Op een uithaal naar het tweekinderenbeleid na weigert de oppositieleidster echter de discriminatie en het geweld te veroordelen. In 2015 hoopt Aung San Suu Kyi president te worden. Ze wil haar etnisch Birmese achterban dan ook niet voor het hoofd stoten.

Jan De Deken